Inleiding
Op 8 juni 2026 werd de wet van 25 mei 2026 tot wijziging van de Wegverkeerswet gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Deze hervorming past in een bredere beweging waarbij het verkeersstrafrecht wordt afgestemd op het nieuwe Strafwetboek en op de evoluerende mobiliteitsrealiteit.
Hoewel de hervorming op het eerste gezicht ingrijpend lijkt, verdient zij een genuanceerde lezing. De wetgever heeft er bewust voor gekozen om het bestaande systeem grotendeels te behouden, terwijl tegelijkertijd een aantal belangrijke structurele en procedurele aanpassingen worden doorgevoerd die de praktijk wél voelbaar zullen beïnvloeden.
1. Invoering van strafniveaus
Een van de meest opvallende wijzigingen is de invoering van strafniveaus in de Wegverkeerswet. Daarmee wordt de systematiek van het nieuwe Strafwetboek overgenomen, met als doel een grotere harmonisatie binnen het strafrecht.
Toch gaat het hier in essentie niet om een inhoudelijke verstrenging van de sancties. De wet bepaalt immers uitdrukkelijk dat “in afwijking van” de strafniveaus de bestaande boetevorken behouden blijven. In de praktijk betekent dit dat de vertrouwde minimum- en maximumbedragen richtinggevend blijven voor de rechter. De hervorming heeft dus vooral een structurerend en uniformerend karakter, zonder dat daardoor automatisch zwaardere sancties volgen.
Een belangrijke nuance geldt evenwel voor de zwaardere verkeersovertredingen bestraft met een gevangenisstraf en geldboete of met één van deze straffen alleen (strafniveau 2 en 3). Wanneer de rechter in dergelijke gevallen enkel een geldboete wil opleggen, zal hij verzachtende omstandigheden moeten aannemen, aangezien de geldboete niet als autonome hoofdstraf binnen deze niveaus is voorzien. Dit creëert een potentieel spanningsveld in de straftoemeting.
Er dient te worden opgemerkt dat de teller van de opdeciemen op nul wordt gezet bij de inwerkingtreding van boek I van het nieuwe Strafwetboek. Ter herinnering: er zou weldra reeds een wijziging van deze opdeciemen (verhoogd tot 2,5, en dus naar de voormalige bedragen toe verhoogd met 10) doorgevoerd worden.
2. Invoeging van de definitie van motorvoertuig
Een opvallende wijziging is de invoeging in de Wegverkeerswet van een expliciete definitie van het begrip “motorvoertuig”.
Tot vandaag ontbrak een dergelijke definitie in de Wegverkeerswet, wat aanleiding gaf tot interpretatieproblemen. De rechtspraak, met name het Hof van Cassatie, moest zich baseren op de gebruikelijke betekenis van het begrip, wat in bepaalde gevallen tot weinig wenselijke resultaten leidde.
De wetgever grijpt nu in door het begrip te koppelen aan:
- de voertuigcategorieën waarvoor een rijbewijs vereist is (cf. koninklijk besluit van 23 maart 1998), én
- bromfietsen klasse A (maximaal 25 km/u)
Daardoor vallen voortaan onder meer elektrische steps, gewone elektrische fietsen en rolstoelen buiten het begrip motorvoertuig, tenzij zij technisch worden aangepast om hogere snelheden te behalen.
Deze afbakening zorgt voor meer rechtszekerheid, maar heeft tegelijk belangrijke gevolgen voor de toepassing van bepaalde sancties, zoals het verval van het recht tot sturen.
3. Uitbreiding van het verval van het recht tot sturen
Parallel met de bovenstaande verduidelijking wordt het verval van het recht tot sturen inhoudelijk aanzienlijk uitgebreid.
Waar dit verval traditioneel beperkt bleef tot motorvoertuigen, kan de rechter voortaan, mits uitdrukkelijke motivering, het verbod uitbreiden tot andere vervoermiddelen. Dit opent de deur naar sancties die ook betrekking hebben op bijvoorbeeld elektrische steps of andere lichte vervoermiddelen.
Deze wijziging is duidelijk ingegeven door de opkomst van nieuwe mobiliteitsvormen en beoogt te vermijden dat bepaalde categorieën van weggebruikers zich aan effectieve sanctionering zouden kunnen onttrekken.
De wetgever voorziet wel een belangrijke beperking: voertuigen die gebruikt worden door personen met een sterk beperkte mobiliteit en die slechts stapvoets kunnen rijden, blijven buiten dit systeem.
Daarnaast wordt een bijkomende sanctiemogelijkheid ingevoerd in specifieke situaties, zoals wanneer een rechtspersoon nalaat de identiteit van een bestuurder mee te delen (artikel 67ter Wegverkeerswet). In dat geval kan het rijverbod ook worden opgelegd aan de natuurlijke persoon die de rechtspersoon vertegenwoordigt, wat de handhaving aanzienlijk versterkt.
4. Beginnende bestuurders: uitbreiding van het toepassingsgebied
De wetgever grijpt ook in op het statuut van de beginnende bestuurder. Voortaan worden ook houders van een voorlopig rijbewijs expliciet onder dit regime gebracht.
Dit betekent dat zij bij bepaalde zware overtredingen sneller geconfronteerd kunnen worden met een verplicht verval van het recht tot sturen, waarbij het herstel afhankelijk wordt gesteld van het opnieuw slagen voor een rijexamen.
Deze wijziging werkt een bestaande incoherentie weg en leidt tot een meer consistente toepassing.
5. Procedurele hervormingen: impact op bewijs en verdediging
De meest ingrijpende veranderingen situeren zich ongetwijfeld op het vlak van procedure.
Een eerste belangrijke wijziging betreft de termijn voor het verzenden van het proces-verbaal. Deze termijn wordt opgetrokken van 14 naar 30 dagen, met de mogelijkheid tot verdere verlenging zolang de identiteit van de overtreder niet definitief is vastgesteld.
Deze aanpassing heeft een verstrekkende impact. In verkeerszaken heeft een tijdig verzonden proces-verbaal immers een bijzondere bewijswaarde. Indien deze termijn niet wordt gerespecteerd, verliest het proces-verbaal deze waarde en geldt het louter als een inlichting.
Door de verlenging van de termijn wordt de kans aanzienlijk kleiner dat dit vormverweer nog kan worden opgeworpen. Dit betekent concreet dat de verdedigingsmogelijkheden in bepaalde dossiers ernstig worden ingeperkt en in sommige gevallen de rechten van verdediging genadeloos zullen worden aangetast.
Daarnaast wordt ook de verjaringstermijn geharmoniseerd op drie jaar. Waar voordien verschillende termijnen van toepassing waren, geldt voortaan een uniforme termijn voor alle verkeersinbreuken. Dit verhoogt de rechtszekerheid, maar heeft als keerzijde dat ook minder ernstige feiten langer vervolgbaar blijven.
6. Strengere en uniforme aanpak van rijden onder invloed
De hervorming bevestigt en versterkt de tendens naar een strengere aanpak van rijden onder invloed.
Zo wordt het tijdelijk rijverbod geharmoniseerd naar een standaardduur van 12 uur, zowel voor alcohol als voor drugs. Deze keuze breekt met de vroegere benadering waarbij de duur afhankelijk was van de veronderstelde afbraaktijd van alcohol in het lichaam.
De maatregel moet vooral worden gezien als een duidelijk normerend signaal, waarbij de preventieve functie van het verkeersstrafrecht centraal staat.
Daarnaast wordt de lijst van verboden stoffen uitgebreid met ketamine, waardoor bestuurders die onder invloed van deze stof deelnemen aan het verkeer onder hetzelfde strenge regime vallen als bij andere drugs.
7. Inwerkingtreding
De inwerkingtreding van deze wet zal gefaseerd plaatsvinden op drie verschillende momenten, rekening houdend met de bijzonderheden van de verschillende maatregelen en met de tijd die nodig is voor de betrokken diensten om ze toe te kunnen passen en voor de rechtsonderhorigen om ermee vertrouwd te geraken.
Een eerste reeks bepalingen is reeds van toepassing vanaf 1 juli 2026, namelijk de eerste dag van de maand volgend op het verstrijken van de termijn van tien dagen na publicatie.
Dit betreft onder meer:
- de definitie van motorvoertuig
- de uitbreiding van het rijverbod
- de verlenging van de termijn voor het proces-verbaal
- de harmonisatie van de verjaring
- het tijdelijk rijverbod van 12 uur
Andere bepalingen volgen later, in samenhang met het nieuwe Strafwetboek of via uitvoeringsbesluiten.
Conclusie
De hervorming van de Wegverkeerswet 2026 moet in de eerste plaats worden begrepen als een oefening in coherentie en harmonisatie. Door de aansluiting bij het nieuwe Strafwetboek en door het expliciet structureren van begrippen, sancties en procedures, ontstaat een meer consistent en samenhangend normatief kader. Op dat vlak bereikt de wetgever onmiskenbaar haar doel: het verkeersstrafrecht wordt duidelijker ingebed in het bredere strafrechtelijke systeem.
Tegelijk kan niet worden voorbijgegaan aan de keerzijde van deze hervorming. Net de wijzigingen die op het eerste gezicht technisch of administratief lijken — zoals de verlenging van de termijn voor de toezending van het proces-verbaal en de verruiming van de verjaring — hebben een reële en voelbare impact op de rechten van verdediging. Zij beperken in de praktijk de mogelijkheden om procedurele verweren te voeren en versterken de positie van de vervolgende overheid.
Dit roept de fundamentele vraag op of het evenwicht tussen efficiënte handhaving en rechtsbescherming niet te ver in één richting is verschoven. Waar de hervorming een grotere doeltreffendheid en uniformiteit nastreeft, lijkt zij tegelijk het klassieke evenwicht tussen vervolging en verdediging onder druk te zetten.
De komende rechtspraak zal moeten uitwijzen hoe deze nieuwe regeling in de praktijk wordt toegepast en in welke mate de rechterlijke macht erin slaagt om dit evenwicht te bewaken. Eén zaak staat evenwel vast: de hervorming betekent niet alleen een modernisering van het verkeersrecht, maar ook een hertekening van de procespositie van de rechtsonderhorige.
Advies nodig?
Heeft u vragen over de toepassing van deze nieuwe regels op uw situatie of dossier? Of wenst u de impact op een concreet dossier te laten analyseren? Contacteer ons advocatenkantoor voor een gericht en praktisch juridisch advies. Wij begeleiden u graag bij de beoordeling van uw rechten en verplichtingen onder de nieuwe Wegverkeerswet.
Lin Lommatzsch
Laurens Guinée